Vijf ballerina’s zijn met de bus onderweg naar een belangrijke danswedstrijd, een moment waar ze al maanden vol passie en toewijding naartoe leven. De spanning is tastbaar, maar ook het optimisme overheerst: binnenkort mogen ze laten zien waartoe ze in staat zijn, na al die intensieve trainingen. Plotseling slaat het noodlot echter toe. Halverwege de rit stopt de bus onverwachts; zonder bereik en hulp in de buurt komen ze tot stilstand aan de rand van een afgelegen bos.

Terwijl de schemering valt en de kou toeneemt, besluiten de vijf niet te blijven wachten. Ze wagen zich het donkere woud in, op zoek naar licht, een telefoon en vooral: veiligheid. Na een lange, onzekere tocht ontdekken ze een pension dat onderdak biedt. Het gebouw oogt oud, stil en vreemd verlaten, maar het is warm en biedt beschutting. Voor even koesteren ze de hoop dat het gevaar geweken is.

Die hoop blijkt al snel ijdel. Vanaf het allereerste moment voelen ze dat er iets niet klopt. De atmosfeer is beklemmend, de stilte te zwaar en de mensen die ze tegenkomen zeggen nét te weinig, terwijl hun blikken nét iets te lang blijven hangen. Het pension lijkt een plek waar onuitgesproken regels heersen. De ballerina’s proberen rustig te blijven, vinden steun bij elkaar en denken logisch na, maar het griezelige gevoel dat ze ongewenst zijn groeit met elke minuut.

Naarmate de dreiging zich opstapelt en niet langer negeerbaar is, wordt duidelijk dat dit geen onschuldige tussenstop is. Het pension blijkt geen toevluchtsoord, maar een val. Wat begon als een reis naar een wedstrijd, verandert in een strijd waar ze alles moeten inzetten: hun moed, vindingrijkheid en vooral hun vertrouwen in elkaar. In dit bos geldt nu maar één wet: overleven.