In München heeft een rechter onlangs een belangrijke en veelbesproken uitspraak gedaan over de juridische status van creaties die met behulp van kunstmatige intelligentie (AI) tot stand komen. De vraag die centraal stond, is of dergelijke AI-gegenereerde output in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming.
De eiser in deze zaak had drie logo’s laten ontwerpen met generatieve AI. Hij gebruikte verschillende soorten aanwijzingen, zogenaamde ‘prompts’, om tot zijn ontwerpen te komen. Zo gaf hij een korte instructie voor het maken van een logo met een boek als thema, een langere prompt voor een ontwerp dat een envelop symboliseerde, en een reeks van meerdere prompts die steeds werden aangepast (iteratief), om uiteindelijk tot een logo met een handdruk te komen. De eiser stelde dat hij het auteursrecht op deze drie logo’s bezit. Hij vergeleek zijn rol met die van een beeldhouwer: AI is voor hem slechts een technisch hulpmiddel, een soort digitaal gereedschap, net als een beitel in de handen van een kunstenaar.
De rechter keek echter anders tegen deze zaak aan. In het auteursrecht geldt namelijk dat een ‘werk’ aan twee belangrijke eisen moet voldoen om bescherming te krijgen. Ten eerste moet het werk origineel zijn, oftewel een eigen intellectuele schepping van de maker. Ten tweede moet deze schepping ook in een waarneembare vorm tot uitdrukking komen. In dit specifieke geval was voor de rechter doorslaggevend in hoeverre de menselijke invloed daadwerkelijk leidend was geweest in het creatieve proces. Het bleek onvoldoende dat het AI-programma, op basis van algemene of zelfs gedetailleerde instructies, zelfstandig de ontwerpkeuzes maakte. Of de gebruikte aanwijzingen nu kort of uitgebreid waren, maakte voor het oordeel niet uit. Het auteursrecht ontstaat alleen als er duidelijke, bewuste creatieve beslissingen door mensen worden genomen.
Deze uitspraak past in een bredere trend binnen de Europese rechtspraak. Europese rechters worstelen nog met de vraag hoe zij om moeten gaan met het auteursrecht op AI-gegenereerde werken. Tot nu toe lijkt de lijn te zijn dat auteursrecht enkel kan ontstaan wanneer een mens vrije, creatieve keuzes heeft gemaakt die zichtbaar terugkomen in het eindresultaat. De menselijke scheppingskracht moet de boventoon voeren, ook als AI als hulpmiddel is ingezet. Het is duidelijk dat de ontwikkeling van AI en de juridische kaders daaromheen in de toekomst nog onderwerp zullen zijn van veel discussies en verdere rechtszaken.
Het is te verwachten dat het Europese Hof van Justitie zich nog zal uitspreken over deze complexe materie. Hun toekomstige uitspraken zullen richtinggevend zijn voor hoe kunstmatige intelligentie en het auteursrecht met elkaar in balans gebracht kunnen worden. Deze uitspraak benadrukt hoe belangrijk het is voor makers om duidelijk te laten zien waar hun menselijke creativiteit ligt, juist in deze tijd waarin technologie steeds meer creatieve processen overneemt.
AI is zonder twijfel een krachtig hulpmiddel dat de manier waarop wij creëren ingrijpend verandert. Tegelijkertijd werpt het ook fundamentele vragen op over eigenaarschap, originaliteit en de waarde van menselijke creativiteit. Deze rechtszaak illustreert de noodzaak om nieuwe regels te ontwikkelen die zowel recht doen aan innovatieve technologieën als aan menselijke talenten en inspanningen. Zo kunnen we een toekomst bouwen waarin mens en machine samen nieuwe kunstwerken en ontwerpen maken, zonder dat het onbeheersbaar of onrechtvaardig wordt.





